Het dubbele gezicht van de ChristenUnie
zaterdag 06 mei 2006 11:03
De ChristenUnie heeft de laatste tijd een wat dubbel gezicht. Enerzijds is er de partij die het goed heeft gedaan bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen en daarna de coalitiebesprekingen. Het is het beeld van een betrouwbare bestuurspartner met hardwerkende en nuchtere vertegenwoordigers. Anderzijds lijkt de partij soms wat verlegen met de eigen identiteit, het beeld dat men van zichzelf heeft of wil hebben en wat anderen ervan vinden.
De buitenwacht mag de ChristenUnie graag kwalificeren als een linkse partij. Bijna altijd hoor je dit geluid van lieden die daar zelf een belang bij hebben, zoals uit kringen van het CDA of SGP. Daar weet men goed dat de achterban niet zoveel last heeft van linkse neigingen. Met die spanning kan de ChristenUnie echter wel leven. Het programma is inderdaad soms wat radicaler dan de eigen conservatieve levenshouding, maar dat gaat meestal niet ten koste van het krediet dat de volksvertegenwoordigers krijgen.
Vernieuwingszin
Interessanter is de vernieuwingszin, die van binnenuit komt. Allereerst hoorden we pleidooien om de grondslag van de partij te herzien. Het is een thema dat met regelmaat terugkomt en zelden iets oplevert. Ook al omdat nooit een serieus alternatief wordt voorgesteld. Dat is er m.i. op dit moment ook niet. Vervolgens lezen we dat de partij zich meer moet gaan oriënteren op kringen van christelijke allochtonen. Dat zou inderdaad een positieve bijdrage van de ChristenUnie aan het integratievraagstuk kunnen zijn, maar opkomst, blinken en verzinken van de Surinaamse evangelist dr. Johnny Love laat al vroeg zien dat hier enige voorzichtigheid geboden is.
En ten slotte lazen we dat de ChristenUnie meer moet gaan werven in evangelische kringen, zoals de Pinkstergemeenten. De publicitair actieve Henk Medema (Vergadering van gelovigen) bepleitte onlangs (Nederlands Dagblad 20 april) 'een nieuwe christelijke politiek'. Dat was interessant, omdat in het verleden evangelischen met politieke belangstelling een dergelijke ambitie of pretentie niet hadden. Men erkende dat in de evangelische stroming het denken over maatschappelijke en politieke vraagstukken (soms principieel) was nagelaten en dat men slechts aansluiting zocht bij verwante christenen (vooral in de RPF) die wel in een christelijke politieke denktraditie stonden. Juist deze bescheidenheid maakte het betrekkelijk eenvoudig om bij de totstandkoming van de ChristenUnie de steun van geraadpleegde evangelische voormannen te krijgen. Met behoud van geestelijke en kerkelijke verschillen voelde men zich politiek thuis bij gereformeerden en reformatorischen.
Waar gaat het Medema nu om? Hij wil allereerst een politiek waarbij 'het hart niet buitenspel blijft'. Vervolgens poneert hij dat de vraag 'Waar is God in de christelijke politiek' meer moet opleveren dan standpunten en beleidslijnen. Van Jezus moeten we meer verwachten dan inspiratie, onderwijs of getuigenis. 'Naar hem kijk je omhoog als je het niet meer zo precies weet'. En ten slotte moet gezocht worden 'naar de volheid (vervulling) van de Geest in ons hart'. Er moet tijd worden genomen voor gebed en lofprijzing.
Verinnerlijkt
Wat moeten we hier nu mee? Het is toch alsof je luistert naar het voorstel van een gedreven vegetariër om de slagerij wat anders in te richten. Weinig twijfel behoeft er te zijn over de christelijke inzet, maar het politieke ontbreekt volledig. Dat komt omdat alle christelijke actie wordt verinnerlijkt en het doel van alle politiek om een normatief beeld te hebben van de inrichting van de publieke samenleving (de slagerij) geheel buiten beschouwing blijft.
Natuurlijk moet ook in de politiek het hart niet buitenspel blijven. Maar het is een gevaarlijke onvoldoende als niet meer wordt gezegd. Allereerst omdat het even christelijk is niet alle vertrouwen te stellen op het hart van de mens, politici zeker niet uitgezonderd. Er moet echter meer worden gezegd. Ooit hoorde ik de fraaie uitspraak 'Ik ben niet geïnteresseerd in de motivatie van een politicus, maar alleen in zijn motivering'. Dat wil zeggen dat een beroep van een politicus, een ambtsdrager die de burger bindende regels mag opleggen, op zijn hart, zijn gezindheid, principieel onvoldoende is. De burger heeft recht op een motivering, een beargumenteerde uitleg en rechtvaardiging van beleid en regels. En dat vergt toch echt dat hij eerst heeft nagedacht over waarden en normen, over recht en billijkheid en een goede inrichting van de samenleving.
Ook de wet
Gebed en lofprijzing hebben inderdaad een legitieme plaats in een christelijke partij. Zo gaat dat ook binnen de ChristenUnie. Maar er is ook aandacht voor de Wet van God. Een concentratie op het innerlijk en de geestelijke gesteldheid nemen de noodzaak daarvan niet weg. Sterker, het kennen van de vreugde van de wet (Psalm 119) is nu juist een voorrecht van een christelijke politicus. Het toepassen van die wet is zijn moeizame ambacht, waarbij tijd en omstandigheden in rekening moeten worden gebracht. Daar mag niet via een beweging van geestelijke verinnerlijking voor worden weggevlucht. De christelijke politiek zou schromelijk tekortschieten, tegenover God en de naaste.
Medema mag aandacht vragen voor de lofprijzing. Maar het is toch echt te weinig als dat beperkt wordt tot een liturgisch gebaar op een partijvergadering. Het eren van God gaat niet vooraf aan het politieke handelen, maar komt juist in dat handelen tot uitdrukking. God wordt geëerd wanneer een christelijke wethouder anderen ervan weet te overtuigen dat zijn sociaal beleid erop gericht is niemand uit te sluiten, wanneer een raadslid een goed plan voorstelt om de veiligheid rond scholen te bevorderen en wanneer een parlementariër actueel uitvoering geeft aan het gebod het recht van vreemdeling en wees niet te buigen.
Het is allemaal, en zeker in onze cultuur, moeizame arbeid en vaak niet zo spectaculair en zelfs niet altijd hartverwarmend. Maar het is wel het eerste waartoe een christelijk politicus in zijn ambt gehouden is. Van dat ambt mag hij zich niet loszingen, zelfs niet letterlijk, en het eigenlijk van zijn politieke handelen zoeken in een verinnerlijkte geestelijke activiteit en een uitbundige lofprijzing. Het lijkt vroom en het zal het ook wel zijn, maar het is onvoldoende.
Door: Eimert van Middelkoop
Eimert van Middelkoop is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie en schrijft op deze plaats maandelijks een column.
Bron: Nederlands Dagblad
De buitenwacht mag de ChristenUnie graag kwalificeren als een linkse partij. Bijna altijd hoor je dit geluid van lieden die daar zelf een belang bij hebben, zoals uit kringen van het CDA of SGP. Daar weet men goed dat de achterban niet zoveel last heeft van linkse neigingen. Met die spanning kan de ChristenUnie echter wel leven. Het programma is inderdaad soms wat radicaler dan de eigen conservatieve levenshouding, maar dat gaat meestal niet ten koste van het krediet dat de volksvertegenwoordigers krijgen.
Vernieuwingszin
Interessanter is de vernieuwingszin, die van binnenuit komt. Allereerst hoorden we pleidooien om de grondslag van de partij te herzien. Het is een thema dat met regelmaat terugkomt en zelden iets oplevert. Ook al omdat nooit een serieus alternatief wordt voorgesteld. Dat is er m.i. op dit moment ook niet. Vervolgens lezen we dat de partij zich meer moet gaan oriënteren op kringen van christelijke allochtonen. Dat zou inderdaad een positieve bijdrage van de ChristenUnie aan het integratievraagstuk kunnen zijn, maar opkomst, blinken en verzinken van de Surinaamse evangelist dr. Johnny Love laat al vroeg zien dat hier enige voorzichtigheid geboden is.
En ten slotte lazen we dat de ChristenUnie meer moet gaan werven in evangelische kringen, zoals de Pinkstergemeenten. De publicitair actieve Henk Medema (Vergadering van gelovigen) bepleitte onlangs (Nederlands Dagblad 20 april) 'een nieuwe christelijke politiek'. Dat was interessant, omdat in het verleden evangelischen met politieke belangstelling een dergelijke ambitie of pretentie niet hadden. Men erkende dat in de evangelische stroming het denken over maatschappelijke en politieke vraagstukken (soms principieel) was nagelaten en dat men slechts aansluiting zocht bij verwante christenen (vooral in de RPF) die wel in een christelijke politieke denktraditie stonden. Juist deze bescheidenheid maakte het betrekkelijk eenvoudig om bij de totstandkoming van de ChristenUnie de steun van geraadpleegde evangelische voormannen te krijgen. Met behoud van geestelijke en kerkelijke verschillen voelde men zich politiek thuis bij gereformeerden en reformatorischen.
Waar gaat het Medema nu om? Hij wil allereerst een politiek waarbij 'het hart niet buitenspel blijft'. Vervolgens poneert hij dat de vraag 'Waar is God in de christelijke politiek' meer moet opleveren dan standpunten en beleidslijnen. Van Jezus moeten we meer verwachten dan inspiratie, onderwijs of getuigenis. 'Naar hem kijk je omhoog als je het niet meer zo precies weet'. En ten slotte moet gezocht worden 'naar de volheid (vervulling) van de Geest in ons hart'. Er moet tijd worden genomen voor gebed en lofprijzing.
Verinnerlijkt
Wat moeten we hier nu mee? Het is toch alsof je luistert naar het voorstel van een gedreven vegetariër om de slagerij wat anders in te richten. Weinig twijfel behoeft er te zijn over de christelijke inzet, maar het politieke ontbreekt volledig. Dat komt omdat alle christelijke actie wordt verinnerlijkt en het doel van alle politiek om een normatief beeld te hebben van de inrichting van de publieke samenleving (de slagerij) geheel buiten beschouwing blijft.
Natuurlijk moet ook in de politiek het hart niet buitenspel blijven. Maar het is een gevaarlijke onvoldoende als niet meer wordt gezegd. Allereerst omdat het even christelijk is niet alle vertrouwen te stellen op het hart van de mens, politici zeker niet uitgezonderd. Er moet echter meer worden gezegd. Ooit hoorde ik de fraaie uitspraak 'Ik ben niet geïnteresseerd in de motivatie van een politicus, maar alleen in zijn motivering'. Dat wil zeggen dat een beroep van een politicus, een ambtsdrager die de burger bindende regels mag opleggen, op zijn hart, zijn gezindheid, principieel onvoldoende is. De burger heeft recht op een motivering, een beargumenteerde uitleg en rechtvaardiging van beleid en regels. En dat vergt toch echt dat hij eerst heeft nagedacht over waarden en normen, over recht en billijkheid en een goede inrichting van de samenleving.
Ook de wet
Gebed en lofprijzing hebben inderdaad een legitieme plaats in een christelijke partij. Zo gaat dat ook binnen de ChristenUnie. Maar er is ook aandacht voor de Wet van God. Een concentratie op het innerlijk en de geestelijke gesteldheid nemen de noodzaak daarvan niet weg. Sterker, het kennen van de vreugde van de wet (Psalm 119) is nu juist een voorrecht van een christelijke politicus. Het toepassen van die wet is zijn moeizame ambacht, waarbij tijd en omstandigheden in rekening moeten worden gebracht. Daar mag niet via een beweging van geestelijke verinnerlijking voor worden weggevlucht. De christelijke politiek zou schromelijk tekortschieten, tegenover God en de naaste.
Medema mag aandacht vragen voor de lofprijzing. Maar het is toch echt te weinig als dat beperkt wordt tot een liturgisch gebaar op een partijvergadering. Het eren van God gaat niet vooraf aan het politieke handelen, maar komt juist in dat handelen tot uitdrukking. God wordt geëerd wanneer een christelijke wethouder anderen ervan weet te overtuigen dat zijn sociaal beleid erop gericht is niemand uit te sluiten, wanneer een raadslid een goed plan voorstelt om de veiligheid rond scholen te bevorderen en wanneer een parlementariër actueel uitvoering geeft aan het gebod het recht van vreemdeling en wees niet te buigen.
Het is allemaal, en zeker in onze cultuur, moeizame arbeid en vaak niet zo spectaculair en zelfs niet altijd hartverwarmend. Maar het is wel het eerste waartoe een christelijk politicus in zijn ambt gehouden is. Van dat ambt mag hij zich niet loszingen, zelfs niet letterlijk, en het eigenlijk van zijn politieke handelen zoeken in een verinnerlijkte geestelijke activiteit en een uitbundige lofprijzing. Het lijkt vroom en het zal het ook wel zijn, maar het is onvoldoende.
Door: Eimert van Middelkoop
Eimert van Middelkoop is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie en schrijft op deze plaats maandelijks een column.
Bron: Nederlands Dagblad
Reacties op 'Het dubbele gezicht van de ChristenUnie'
Geen berichten gevonden
Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.