Kernprogramma

Het Kernprogramma bevat de basisbeginselen van de ChristenUnie voor de lange termijn. Het dient als uitgangspunt voor de partij en haar vertegenwoordigers op elk niveau.

1. De maatschappij waarin wij leven

2. De roeping van de overheid

3. De taak van de overheid

4. De zwaardmacht van de overheid

5. Ons bestuurlijk bestel

6. Europa

7. Leven naar Gods geboden

8. Ontplooiing van de burgers

9. Rentmeester over Gods schepping

10. Financieel en sociaal beleid

11. Internationaal beleid

 

1. De maatschappij waarin wij leven

1.1 In de maatschappij waarin wij leven is veel om dankbaar voor te zijn. Wij genieten vrijheid, rechtshandhaving, voorspoed en welvaart. Deze weldaden zijn een zegen van God. Mens en overheid zijn geroepen Hem daarvoor te eren en Zijn gaven op een verantwoorde wijze te gebruiken. Wij zijn op een verkeerde weg wanneer maatschappelijke en politieke verhoudingen louter in dienst komen te staan van materiele welvaartsvermeerdering en persoonlijke autonomie. Door de zonde zoekt de mens het leven bij zichzelf. De samenleving is daardoor vervreemd van de dienst van God. De relatie tot de natuur raakt verstoord, de onderlinge verhoudingen tussen mensen verkillen en verharden. Dankbaarheid aan de God van hemel en aarde, de aanvaarding van Jezus Christus als Verlosser en de erkenning van Zijn gezag over alle dingen, openen een nieuwe weg en geven richting en zin aan ieders werk in politiek en maatschappij.

1.2 Voor een samenleving is het van belang dat mensen met vreugde verantwoordelijkheid voor elkaar dragen en ook voor het geschapene. God heeft dat aan de mens in beheer gegeven. De kwaliteit van een gemeenschap blijkt onder andere uit de mate waarin de mensen de ruimte krijgen om zich cultureel te ontplooien tot eer van hun Schepper en natuur en milieu tot hun recht komen. Daarvoor zijn gemeenschappelijke normen en waarden nodig, die actief worden overgedragen. De burgers van ons land dragen allereerst zelf hiervoor verantwoordelijkheid en hebben ook de taak – ieder op zijn of haar plaats – zich in te zetten voor de samenleving. De mens is immers als rentmeester in de schepping geplaatst.

1.3 Overheid en politiek – die zich veeleer door de ontwikkelingen hebben laten meenemen dan er leiding aan te geven – dienen een andere levensvisie en een ander politiek beleid aan te nemen. De overheid spoort de burgers aan op goede wijze verantwoordelijkheid te dragen voor henzelf, hun omgeving en de schepping. Er moet weer een besef zijn dat God mensen aanstelt als verantwoordelijken in Zijn Wereld. De overheid schept op het publieke terrein de voorwaarden voor dit verantwoordelijk burgerschap.

1.4 Wij geloven dat de overheid haar ambt van Godswege draagt en de opdracht heeft de publieke samenleving te richten op de dienst aan de Allerhoogste. Ze geeft leiding aan een goede cultuur- en maatschappij-ontwikkeling om deze dienstbaar te maken aan de ontplooiing van alle mensen en recht te doen aan de bedoeling van de Schepper met Zijn schepping. Wat de Bijbel kwaad noemt in het samenleven van mensen, gaat ze tegen met middelen die uit haar ambt voortvloeien.

2. De roeping van de overheid

2.1 Overheden en burgers leven in een wereld die haar oorsprong en bestemming in God heeft. De overheid kan daarom niet neutraal zijn, maar behoort te erkennen dat Christus Koning is en dat zij in Zijn dienst staat (Romeinen 13:2). Onze grondwet behoort daaraan uitdrukking te geven. In een vrije samenleving met een grote verscheidenheid aan opvattingen geeft de overheid goede leiding wanneer zij haar beleid voortdurend toetst aan de Bijbel.

2.2 Overheidsbeleid moet nuchter en bezielend zijn. Nuchter, omdat de macht van de zonde en de vloek niet door mensen, ook niet door overheden, definitief gebroken kan worden. Overmoedig radicalisme van overheden is ongepast en zelfs gevaarlijk. Wel moet zij trachten door goed beleid de gevolgen van de zonde in te perken. Tegelijkertijd ook bezielend, omdat we er zeker van mogen zijn dat God Zijn wereld niet in de steek laat. Door Zijn Woord wijst Hij ook voor het overheidsbeleid de weg aan. Gerechtigheid verhoogt een volk (Spreuken 14:34). Overheden moeten de burgers in nuchterheid en bezieling voorgaan. Zo staan zij sterk tegenover de krachten van zelfzucht en ontbinding en eren zij de God die hemel en aarde, met alle bronnen van leven en welvaart, heeft geschapen en deze nog steeds in stand houdt.

2.3 Ook als de overheid haar roeping niet beseft, willen we haar daarop blijven aanspreken en vanuit onze verantwoordelijkheid het goede zoeken voor heel de samenleving.

3. De taak van de overheid

3.1 De overheid houdt Gods eer hoog in de publieke samenleving. Bij de uitoefening van haar ambt hanteert ze de bijbelse norm van de publieke gerechtigheid.

3.2 De overheid heeft de opdracht het goede te zoeken voor de burgers, in het bijzonder voor hen die kwetsbaar zijn en moeilijk voor zichzelf kunnen opkomen. Daarom pleiten wij voor bescherming van het leven, ondersteuning van allen die hulp behoeven en inspanning voor rechtvaardige verhoudingen in de wereld.

3.3 Ook overheidspersonen zijn zondige mensen en het kwaad kan zich via hen vestigen in politieke structuren. Daarom is een goed stelsel van democratische controle nodig om toe te zien op het juiste gebruik van de overheidsmacht.

3.4 De erkenning van de onderscheiden ambten van kerk en staat behoedt de overheid voor het toepassen van geestelijke dwang en bepaalt de kerk bij haar eigen taak: de Evangelieverkondiging. De overheid waarborgt de geestelijke vrijheid en respecteert de zelfstandigheid van de kerk in wetgeving en beleid. De overheid eert God en dient de samenleving door ruimte te garanderen voor de publieke verkondiging van het Evangelie. Ze ziet er op toe dat de kerkelijke samenkomsten ongestoord kunnen plaatsvinden. De zondagsrust wordt mede met het oog hierop door de overheid beschermd.

4. De zwaardmacht van de overheid

4.1 De overheid heeft tot taak volgens rechtvaardige wetten het kwaad in de samenleving te beteugelen en bedrijvers van misdaden en overtredingen adequaat en doeltreffend te straffen. In acht wordt genomen dat ook de slachtoffers van deze delicten of hun nabestaanden tot hun recht dienen te komen. De Tien Geboden van God, die Christus heeft samengevat in het gebod van liefde tot God en tot de naaste (Mattheus 22: 37-40), dienen hierbij voor de overheid leidraad te zijn.

4.2 Het tegengaan van het kwaad in de samenleving vraagt grote zorgvuldigheid. Ten behoeve van een eerlijke en onpartijdige rechtspraak dient de rechterlijke macht onafhankelijk te zijn.

4.3 Wij geloven dat God het geweld onder de mensen haat. Overheden zullen soms verplicht zijn geweld toe te passen ter bescherming van vrede en veiligheid, ook in internationaal verband.

5. Ons bestuurlijk bestel

5.1 Ons land dient een constitutionele monarchie te blijven onder het Huis van Oranje. De soevereiniteit van Nederland is opgedragen aan de Koning, die regeert bij de gratie van God. De Koning vertegenwoordigt de eenheid van het volk en spoort de leden van de regering aan tot een rechtvaardig en integer bestuur.

5.2 Om de wetten te kunnen toetsen aan de grondwet moet er een Constitutioneel Hof komen, waarvan de leden door de Koning worden benoemd en dat bevoegd is uit zijn naam wetten onverbindend te verklaren.

5.3 Het openbaar bestuur staat zo dicht mogelijk bij de bevolking. Bestuurlijke taken worden waar mogelijk aan gemeenten en provincies overgelaten.

5.4 Leden van Gemeenteraden, Provinciale Staten, Eerste en Tweede Kamer en het Europese Parlement worden door middel van evenredige vertegenwoordiging verkozen. Dit doet optimaal recht aan de geestelijke verscheidenheid onder ons volk.

5.5 Met het oog op evenwichtig bestuur houden regering en parlement hun onderscheiden staatsrechtelijke posities voor ogen. Ter wille van de democratische controle dient het verkeer tussen beide zoveel mogelijk in de openbaarheid plaats te vinden.

5.6 Overheidsverantwoordelijkheden en overheidstaken dienen primair uitgevoerd te worden door publieke overheidslichamen. Daar waar publieke taken door andere instanties worden uitgevoerd zijn de normen die aan het optreden van de overheid gesteld dienen te worden van toepassing.

6. Europa

6.1 Als deelnemer aan het proces van Europese samenwerking stelt ons land zich constructief op in het verband van de Europese Unie. Beseft moet worden dat Europese naties in tal van opzichten van elkaar afhankelijk zijn en dat veel problemen een grensoverschrijdende aanpak vergen. Europese samenwerking is geen doel op zichzelf, maar een middel. Zij staat in het teken van de bevordering van publieke gerechtigheid en niet van concentratie van economische en politieke macht.

6.2 Het institutionele kader waarin deze samenwerking plaatsvindt, is het geheel van verdragsafspraken dat de basis heeft gelegd voor de Europese Unie en de daarin opgenomen Europese gemeenschappen. Voor de uitvoering van de haar opgedragen taken dient de EU te beschikken over instellingen met wetgevende, uitvoerende en controlerende taken.

6.3 Tot de voorwaarden en begrenzingen van de Europese samenwerking behoren het in acht nemen van de verscheidenheid in taal, cultuur, historische ontwikkeling en politieke tradities van de lidstaten. Er dient betrokkenheid te zijn van nationale parlementen en burgers bij de totstandkoming van besluitvorming op Europees niveau. Krachtens het beginsel van de subsidiariteit dienen besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers genomen te worden en gaat bestuurlijke integratie derhalve gepaard met decentralisatie van verantwoordelijkheden.

7. Leven naar Gods geboden

7.1 De wetgeving waarborgt de volledige bescherming van het leven van mensen vanaf de bevruchting tot het natuurlijke levenseinde. Abortus provocatus is alleen toelaatbaar als het leven van de moeder op het spel staat. Biotechnologische ingrepen bij de mens zijn alleen geoorloofd indien de identiteit en eigenheid van de mens als beeld van God gewaarborgd blijft en van de gebruikte technieken een helende of genezende invloed uitgaat.

7.2 Het huwelijk is een publieke verbintenis tussen een man en een vrouw en is als zodanig een goddelijke instelling vanaf de schepping. De overheid regelt het huwelijk en de verhouding tussen ouders en kinderen in overeenstemming met deze oorsprong. Het is niet juist dat niet-huwelijkse relaties rechtens een gelijke positie krijgen als het huwelijk, omdat dit afbreuk doet aan de unieke waarde van het huwelijk. De overheid zal ook hen die een niet-huwelijkse relatie aangaan, houden aan hun wederzijdse zorg- en maatschappelijke verplichtingen. Omdat ouders zelf de eerstverantwoordelijken zijn om hun kinderen te verzorgen, houdt de overheid in haar fiscale en sociale beleid rekening met de beperking van de draagkracht die daaruit voortvloeit.

7.3 De overheid voert een duidelijk en doeltreffend beleid tot handhaving en bevordering van de eerbaarheid en goede zeden in de openbare samenleving. Zo worden prostitutie en pornografie als in strijd met bijbelse normen en menselijke waardigheid bestreden. De overheid ziet er op toe dat de media de eer van God en mensen respecteren. Openbare godslastering en commerciële exploitatie van religie, sexualiteit en geweld op het publieke terrein worden met kracht tegengegaan.

7.4 Onderscheid tussen mensen wordt alleen gemaakt op gronden die terzake relevant zijn. De overheid bestrijdt ongerechtvaardigde uitingen van discriminatie jegens mensen op grond van hun geloof, sexe, sexuele geaardheid, leeftijd, handicap, etnische afkomst of huidskleur.

7.5 Met inachtneming van de verantwoordelijkheid van elke burger voor zijn gezondheid waarborgt de overheid een kwalitatief goede en voor ieder toegankelijke gezondheidszorg. Ze ziet er op toe dat de geneeskunde de ordeningen van God voor het menselijk leven in acht neemt, zich inspant voor herstel of verlichting voor zieken en gehandicapten, en, als ze niet te genezen zijn, tracht hun lijden te verlichten zonder het leven zinloos te rekken. Ze draagt zorg voor voldoende personele en financiële middelen voor de benodigde verzorging en verpleging.

7.6 De overheid ziet verslaving aan alcohol, tabakswaren, drugs en gokken als bedreigingen van de volksgezondheid en de rechtsorde gaat dit tegen door preventieve maatregelen en actieve bestrijding.

7.7 De zondag is een rustmoment voor mens en samenleving en dient als zodanig beschermd en gerespecteerd te worden.

8. Ontplooiing van de burgers

8.1 Ouders dragen de eerste verantwoordelijkheid voor het onderwijs aan hun kinderen. Zij moeten voor hun kinderen een school kunnen kiezen waar de levensbeschouwelijke richting van het onderwijs aansluit bij de opvoeding in het gezin. De overheid waarborgt daarom de toegankelijkheid en bereikbaarheid van door particulieren opgerichte (openbare) scholen. De overheid waarborgt voldoende (openbaar) onderwijs en maakt in haar regelgeving geen inbreuk op de identiteit en inrichting van het bijzonder onderwijs.

8.2 De overheid bevordert dat in het onderwijs niet enkel de voorbereiding op beroepsuitoefening, maar ook de persoonlijke sociaal-culturele ontwikkeling en maatschappelijke vorming aandacht krijgen. In het openbaar onderwijs wordt gewaakt tegen de bevoordeling van enige godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging.

8.3 Het culturele beleid is gericht op instandhouding van ons cultureel erfgoed in de breedste zin van het woord. De overheid schept gunstige voorwaarden voor de ontplooiing van culturele activiteiten en de toegankelijkheid van culturele voorzieningen. De overheid gaat cultuuruitingen tegen waarin Gods naam en eer publiek wordt aangetast en Zijn geboden worden geschonden.

8.4 De overheid bevordert een mediabeleid dat ruimte biedt aan verschillende opvattingen en zo recht doet aan de levensbeschouwelijke pluriformiteit van het Nederlandse volk

8.5 Subsidies op sociaal-cultureel gebied worden zodanig verstrekt dat het particulier initiatief en de zelfwerkzaamheid gestimuleerd worden. De overheid geeft in haar subsidiebeleid blijk van waardering voor het belang van de identiteit bij instellingen op levensbeschouwelijke grondslag. Zulke instellingen worden niet gedwongen tot fusie met instellingen met een andere identiteit.

8.6 De Rijksoverheid voert in nauwe samenwerking met de andere lidstaten van de Europese Unie een rechtvaardig beleid voor de toelating van vreemdelingen, waarbij gastvrijheid wordt geboden aan hen die omwille van hun geloof, politieke overtuiging of etnische afkomst in hun vaderland vervolging hebben te vrezen. Zij die in ons land zijn toegelaten, worden actief geholpen om in hun eigen levensonderhoud te voorzien en in te burgeren in de Nederlandse samenleving. De beleving van hun eigen godsdienst en cultuur, voorzover niet in strijd met de Nederlandse wet, wordt hun gewaarborgd.

9. Rentmeester over Gods schepping

9.1 Het economisch beleid moet mede ten dienste staan van de opdracht aan de mens om als een goede rentmeester de aarde op een verantwoorde wijze te beheren. De overheid ziet er op toe dat de ruimtelijke, economische en technologische ontwikkeling niet ten koste gaat van de levensvoorwaarden voor mensen, dieren en planten.

9.2 De overheid zorgt voor een goed niveau van infrastructuur voor wonen, arbeid, verkeer en telecommunicatie, zodat de burgers in allerlei verscheidenheid economische, sociale en culturele activiteiten kunnen ontplooien.

9.3 De overheid eerbiedigt de eigen verantwoordelijkheden van het bedrijfsleven, maar waakt tegen economische machtsvorming die gezonde concurrentie verstoort. Ze bevordert – ook in internationaal verband – een eerlijke concurrentie door alle bedrijven aan dezelfde regels op financieel, sociaal en milieugebied te binden.

9.4 De overheid erkent de maatschappelijke verantwoordelijkheid van werkgevers- en werknemersorganisaties. Overheersing van of verstrengeling met de overheid door deze of andere organisaties, groeperingen of bedrijven dient echter vermeden te worden.

9.5 In landbouw en visserij behoort aandacht te zijn voor de erkenning van het dier als schepsel van God met eigen waarde. Dat houdt onder meer in dat het dier niet louter als biologisch materiaal of als slechts een productiefactor mag worden gezien en gebruikt. Bij genetische modificatie van dieren en planten behoort het verlies van biodiversiteit te worden voorkomen en ecologische besmetting uitgesloten te zijn.

9.6 Een verantwoorde ontwikkeling van de gehele aarde brengt voor de rijke landen, waaronder Nederland, de verplichting mee om minder beslag te leggen op grondstoffen en milieu ten gunste van de arme landen. Ontwikkelingsbeleid dient een eerlijke verdeling van welvaart in mondiaal verband tot uitgangspunt te nemen.

10. Financieel en sociaal beleid

10.1 De overheid zorgt voor een zorgvuldig sociaal en financieel beleid. De haar aangereikte geldmiddelen beheert ze als een goed rentmeester. Ze zorgt voor een uitgebalanceerd voorzieningenniveau en bewaakt de balans tussen welvaart en welzijn. Ze voert een verstandig uitgavenbeleid, zodat het niveau van noodzakelijke voorzieningen in de samenleving op peil kan blijven.

10.2 De overheid brengt haar inkomsten in evenwicht met haar uitgaven, om te voorkomen dat latere generaties nog moeten betalen voor de welvaart die de burgers van vandaag genieten.

10.3 Bij belastingheffing wordt rekening gehouden met de draagkracht, waarbij gezinnen als een eenheid van draagkracht wordt beschouwd en ook de kosten van kinderen in aanmerking wordt genomen. De heffing van inkomstenbelasting laat een bedrag vrij dat mensen minimaal voor hun levensonderhoud nodig hebben. Aftrekposten zijn bedoeld om draagkrachtverminderende factoren te corrigeren.

10.4 De overheid zet zich er voor in dat iedereen door eigen arbeid in zijn levensonderhoud kan voorzien.

10.5 De overheid schept zodanige waarborgen en voorzieningen dat degenen die zorgtaken op zich hebben genomen ten behoeve van kinderen, langdurig zieken, mensen met een handicap en hulpbehoevende ouderen daartoe in de gelegenheid worden gesteld.

10.6 De overheid toont oog te hebben voor het belang van vrijwilligerswerk en mantelzorg door particuliere initiatieven op dit terrein aan te moedigen en zonodig te faciliteren.

10.7 De overheid stimuleert werkgevers de betrokkenheid van medewerkers te honoreren zodat zij hun eigen verantwoordelijkheid voor het bedrijf inhoud kunnen geven. Hierbij hoort ook de participatie van werknemers bij de totstandkoming van sociale regelingen.

10.8 De overheid schept ruimte voor een ondernemingsbeleid dat er op gericht is dat medewerkers zich blijven ontwikkelen en ontplooien, zodat zij duurzaam kunnen participeren in de maatschappij.

11. Internationaal beleid

11.1 Omdat Christus Koning is van alle overheden op aarde, moet de regering in haar buitenlands beleid Gods universele wet tot richtsnoer nemen. Zij bevordert daarom een internationale rechtsorde waarin geweld en agressie worden tegengegaan, geestelijke vrijheden en de culturele rechten van minderheden worden geëerbiedigd, verdragen worden nageleefd en een verantwoord gebruik van arbeidskrachten en grondstoffen op deze aarde wordt nagestreefd. In het bijzonder zet zij zich in voor hen die om hun geloofsovertuiging worden vervolgd.

11.2 Het streven naar internationale gerechtigheid dringt tot samenwerking met andere staten. Instrumenten daarvoor zijn het sluiten van bondgenootschappen voor een bepaald doel, het lidmaatschap van internationale organisaties en de erkenning van de rechtsmacht van een internationaal gerechtshof.

11.3 Goede internationale omgangsvormen houden ook in dat staten toezien op het waarborgen van geestelijke, politieke en burgerlijke rechten waar ook ter wereld. Zij zijn geroepen schendingen van deze rechten aan de kaak te stellen. Het is niet aanvaardbaar wanneer staten dit willen tegengaan met een beroep op het beginsel van de soevereiniteit van de staat. Dit beginsel mag geen bron zijn van rechtswillekeur, maar veleer van verantwoordelijkheid, toerekenbaarheid en aansprakelijkheid. Een goede ontplooiing van de internationale rechtsorde vergt derhalve dat staten elkaar aanspreken op het respecteren van universeel geldende rechten.

11.4 Het buitenlands beleid van ons land wordt gevoerd in de context van de Europese Unie. Daarnaast heeft Nederland op grond van historische en culturele banden bijzondere verplichtingen ten opzichte van Indonesië, met name de molukkers en de papoea’s, Suriname en Zuid-Afrika. De staat Israël wordt gezien als het nationale tehuis voor de Joden en verdient vanwege historische en morele argumenten politieke steun met inachtneming van internationale rechtsbeginselen. Op bijbelse gronden weet een christen zich met het Joodse volk verbonden.

11.5 De eis tot naastenliefde verplicht rijke en arme landen samen te werken aan een rechtvaardige en duurzame internationale economische orde. Eigen welvaart mag niet ten koste gaan van ontwikkelingsmogelijkheden van arme landen. De Nederlandse overheid stelt een redelijk deel van het nationaal inkomen beschikbaar voor ontwikkelingssamenwerking en geeft bij de besteding daarvan prioriteit aan de allerarmsten. Het Nederlandse aandeel daarin moet passen in de doelstellingen van het buitenlands beleid, daarbij inbegrepen het waarborgen van de evangelieprediking in de betrokken landen. Ontwikkelingssamenwerking gaat gepaard met voorlichting over de betekenis van Gods wet voor een goede vervulling van overheidstaken in die landen.

11.6 Voor de bescherming van eigen grondgebied onderhoudt de regering een krijgsmacht, waarvan de samenstelling en structuur in overleg met de NAVO-partners wordt ingericht. In het kader van het buitenlands beleid kan de regering eenheden van de krijgsmacht beschikbaar stellen voor internationale operaties tot herstel of bescherming van de vrede en de rechtsorde in een gebied. De regering houdt militairen die in haar dienst staan voor dat zij zich dienen te houden aan de internationale verdragen inzake oorlogvoering, ook in concrete oorlogssituaties.

11.7 Omdat ook de zwaardmacht van de overheid aan normen gebonden is, moet er gestreefd worden naar internationale afspraken om onder goed toezicht het gebruik en bezit van massa-vernietigingswapens terug te dringen, die duizenden mensen kunnen doden en onherstelbare verwoestingen aanrichten in Gods schepping.

11.8 Temidden van deze dreigingen vindt de christelijke politiek houvast in het Koningschap van Christus en de zekere toekomst van Zijn Rijk. Door Hem regeert God de wereld en zal Hij haar eens oordelen en brengen tot de definitieve verlossing van de zonde en haar gevolgen.